Oos Taal afl.
13
Sjtoebe mit
sjtumpele
door Wim Kuipers
Weer
over spelling? En ik had beloofd …
Nou
ja: over de B van sjtoebe gaat het,
maar dat woord leidt tot heel wat meer. Stoebe zijn uitgestoken paardenbloemen,
voor de konijnen. Kniensvoor dus, ook
gaostóng (ganzentong) geheten, milksjtruuk (Geleen), en in het Weerter
land spreekt men van galle steken.
Een kleine (paarden)bloemlezing, want er zijn meer benamingen. Kijk je alleen
naar de bloemen, dan zijn dat paersblome, en gein paerdeblome
nondepie.
Sjtoebe:
wat zijn dat precies? Een klein boekje met woorden uit Helden zegt het
overduidelijk: de wortels van de paardenbloem. Wortels. "Je moest een
stukje onder de grond steken, dus de wortel doorsteken", belde Harie Geraets uit
Neer, "angers veel dich de kraom
oetrein” – dan had je alleen maar bladeren. Je nam dus de bladeren en een
stompje van de wortel mee naar huis. Conclusie: ik denk dat de benaming sjtoebe aan die afgesneden wortel te
danken is. Het zou dan hetzelfde woord zijn als het Nederlandse stobbe:
boomstronk, in het Limburgs bóks, vót of knoor.
Het
woordenboek van Venlo zegt wat ik vermoed: s(j)toeb is 1. stomp van arm of been
- 2. stronk van een boom - 3. paardenbloemPLANT. Het woorddeel -plant wil waarschijnlijk zeggen dat de
hele plant bedoeld is, niet alleen de bloem, maar daar gaat het hier niet om.
Wel
om die B van sjtoeb. Die staat er
omdat het meervoud sjtoebe is –
vinden de makers van het Venlose woordenboek. Terecht. Ook het Venrods heeft stoeb: stomp van arm of been,
benevens stronk. Hulde.
In
de meeste andere woordenboeken vind je gelijke woorden met een P gespeld, zoals
de sjtoePnaas uit Roermond (stompe
neus natuurlijk), de stòPstert
(Echt): eine hóndj dae ze de sjtert
aafgesjneje höbbe, en ook nog het sjtuPke uit Susteren: kort onderhemd.
Eveneens afgesneden, zou je kunnen zeggen: een stompje, en ik kies dus voor sjtuubke. Mijnwerkers hadden een zjweitstuubke, werd me gebeld, en dr.
Henk Kars, die al jaren bezig is aan een woordenboek van Posterholt, hoorde daar
sjtuubke voor een trui(tje).
In
Noord-Limburg is de sjtoebsjtert
(hond of ook paard met afgesneden staart, soms de staart zelf) tevens: een heel
jong iemand, die denkt de wijsheid in pacht te hebben. Mooi gebruik van sjtoebsjtert. Wordt hiermee gesuggereerd
dat dae bujel zo eigenwijs is dat hij
geestelijk niet meer groeit, net als dat stompje staart? Dat zou geweldig zijn –
ik bedoel: die verklaring.
Helemaal
raadselachtig is Herman Crompvoets, die zeventien jaar aan het Woordenboek der
Limburgse Dialecten werkte. Hij heeft in zijn eigen woordenboek (Mééls Woordeboe:k) het bizarre woord stuipstaartje, in de taal van de Peel
weergegeven als: stoepstartje – klein
staartje. Ik heb zowat een uur gezocht hoe ik dat stuip moest zien, maar dat is me niet
gegeven. Het kan niets met stuiptrekkingen te maken hebben, al zal zo'n stompje
wel even trillen na het brute afsnijden van een fors stuk staart. Dus en helaas:
het woord stuipstaartje lijkt me
kindertaal, zoals we vroeger puipje
zeiden als iemand een scheet liet.
Wat
wil ik hiermee nu mee?
Ik
vind dit geen gesjtechel over
spelling, zoals sjoon of sjoan of sjwan, nee: dit gaat over woorden, taal.
Wij van het AGL vinden dat een woord als sjtoebsjtert in heel Limburg met een B
geschreven moet worden. Wij zien verder dat dit sjtoeb een woord is met mogelijkheden.
Doe daar wat mee.
Maar
hoe? Je moet heet eerst kennen en doorgronden. Helaas: in het pompeuze
woordenboek van Heerlen bijvoorbeeld zoek je de meeste van die woorden vergeefs.
Wel staat er stüp – sjtübbe sjtüpke.
Sjtüpke is ook nog afstapje. Ik geef geen commenaar, ook niet over de mijns
inziens onnodige spelling ü, want we worden in dat woordenboek verblijd met
(allemaal op pagina 251 in de rechter kolom) de woorden: zeeadelaar, zeeanemoon,
zeearm, zeebanket, zeebenen, zeebeving, zeebonk, zeebreker en zeeduivel, en die
zijn allemaal in het Heerlens vertaald. Geweldig, want U zult moeten toegeven:
dit zijn woorden die je vele malen per dag in Groot-Heerlen
hoort.
Genoeg
geknoterd. De woorden stobbe en stomp brachten me op een woord dat ook een
verrijking voor het Nederlands zou zijn: sjtumpel – de poot van tafel of stoel.
Ook dat woord zal wel met het begrip stomp te maken hebben – denk dan aan een
been zonder voet. Ik wijs wel nog op het Engelse stump, met dezelfde betekenissen, maar
ook: paaltje bij cricket (wat een verrassend prachtige sjtumpel), plus: een peukje. Dat is in
het Limburgs ei sjtumpke, meest van
sigaretten, ook van sigaren natuurlijk, maar als de peuk groter is, zodat je die
nog aan kunt steken, dan noem ik dat eine
sjtoemel. Ik memoreer verder nog dat het meervoud sjtumpele gebruikt werd voor benen,
speciaal van vrouwen, en dat was dan bepaald niet gunstig bedoeld: dikkere,
plompe benen.
Volgende
keer: sjtangketsel mit bulkes.
Reacties naar: info@limburghuis.nl,
of: agl@home.nl.