Wim Kuipers  /  Dagblad De Limburger 20 07 2000 / Opinie
 
INTERESSANTE LITERATUUR VERGT EENHEIDS-LIMBURGS
 
Dialectoloog Rob Belemans vindt het (gevaarlijke) onzin om te streven naar een eenheids-Limburgs. Wim Kuipers legt uit waarom een eenheid voor alleen het geschreven Limburgs van groot belang is.
 
Luchtfietserij. Dat woord prijkt boven een artikel van Rob Belemans over een serieus bedoelde poging van de Partij Nieuw Limburg (wat meer) eenheid te brengen binnen het Limburgs. Het is zowat het enige positieve woord in zijn artikel. Niets deugt.
 
Dat is niet zo verwonderlijk, want het artikel is eigenlijk geschreven voor het tijdschrift van Veldeke. De ruim 3000 abonnees moet vooral ingehamerd worden dat er door dit voorstel gevaar bestaat voor hun eigen puur plaatselijke dialecten. Belemans gaat daar ver in. Eerst zegt hij dat "het wezenskenmerk van dialecten, ook in Limburg, hun onderlinge verscheidenheid" is en blijft. Wat betekent dit? Is het wezenskenmerk van talen dat ze onderling verschillen? Kom nou: dat is alleen aardig voor enkele taalkundigen.
 
Vervolgens beweert hij dat wie "die diversiteit wil ontkennen of uitvlakken, daarmee de fundamentele eigenheid en op termijn het voortbestaan van 'het Limburgs'" bedreigt. Ik vind dat angst aanjagen. Belemans heeft "meer dan 550" verschillende dialecten in de provincie Limburg geteld. Als de onderlinge verschillen tussen pakweg 300 van die dialecten verdwijnen, zou dan het Limburgs (waarvan hij het bestaan overigens ontkent), bedreigd worden? Hij verklaart die mening nergens, herhaalt ze alleen nog eens in andere vorm (wat ik inhameren noemde): "PNL tracht in te leiden: de vervlakking van de interne diversiteit van 'het Limburgs' en vervolgens dus het volledige verdwijnen ervan."
Wie dat snapt mag het zeggen. Mochten door een nieuw pinksterwonder alle Limburgers plots Geleens gaan praten, is dat dan geen Limburgs?
 
Waar gaat het werkelijk om?
Een jaar of twaalf geleden begon ik in mijn rubriek Letterbak in De Limburger te filosoferen over het nut, daarna de wenselijkheid van een uniform(er) geschreven Limburgs. Dat ging ik AGL noemen: Algemeen Geschreven Limburgs. Ik had verschillende argumenten voor dat AGL. Leesbaarheid bijvoorbeeld. Bovendien ben ik van mening dat zonder eenheid de toekomst van het Limburgs somber is. Een taal die niet geschreven wordt verdwijnt, of krijgt het heel moeilijk. Dat is het omgekeerde van wat Belemans beweert - we zullen het dus nooit eens worden.
 
Eerlijk gezegd sloeg mijn voorstel nauwelijks aan. Ik heb dat ook geschreven, in mijn vorige jaar verschenen boek Moeles van de sjalevaeger. Er staat (p.110): "Ik weet dat het zo (helaas) niet zal gaan. Want ik zie weinig taalwil om me heen."
 
Wat gebeurde vervolgens?
Begin dit jaar begon de PNL zich af te vragen hoe het zat met de erkenning van het Limburgs als minderheidstaal. Dat was al weer drie jaar geleden gebeurd (overigens niet op voorzet van de cultuurgedeputeerde Eurlings, zoals Belemans zegt, het was de Stichting DOL die het intiatief nam), maar daarna bleef het pijnlijk stil. Toch moet zo'n erkenning leiden tot verdere bescherming van bedoelde minderheidstaal. Het is dus de taak van de politiek om aan de bel te trekken. Voor de duidelijkheid: hoewel de PNL mijn term AGL gebruikt (dat mag - al mijn ideeën zijn te vinden in bovengenoemd boek) ben ik door die partij niet benaderd om hun voorstel vorm te geven.
 
Wat was en is nu mijn bedoeling?
Alleen om door dat AGL het schrijven in het Limburgs te verbeteren. Meer niet. Ik heb vaker de Limburgse criticus Ben van Melick geciteerd die meent: "Zolang er geen concensus bestaat over (...) een Limburgse eenheidstaal, zal er ook niets interessants, zij het incidenteel, in het Limburgs geschreven worden."
 
Dat vergt een toelichting. Schrijven is een vak dat je kunt leren. Leren hoe een roman in elkaar steekt, kun je uit een Spaans boek. Beeldspraak gebruiken eveneens. Maar hoe moet je beter in het Limburgs leren schrijven? Over de vorige week op bijna 106-jarige leeftijd overleden Argentijnse auteur Juan Filloy werd gezegd dat hij over een enorme woordenschat beschikte en als weinig anderen kon goochelen met de taal. Hoe bereik je zoiets?
Antwoord: door het Limburgs te bestuderen.
 
Maar hoe? Er zijn geen leerboeken. Als ik in een uitgave van de Euregio Rijn-Maas-Noord (met daarin Mundartliteratuur) zie dat de toenmalige voorzitter van Veldeke het (gehad) heeft over uch dialek, uch eige taal naast eur eige cultuur, binnen enkele regels, dan schaam ik me diep dat ik me met het Limburgs bezig hou. In vrijwel alle Limburgse dialecten is uch geen bezittelijk voornaamwoord - punt uit. Uch taal is hetzelfde on-Limburgs als dich taofel - dat zou je uit een grammatica kunnen leren. Maar die ontbreekt, evenals een algemeen woordenboek, zoals het Zeeuws, Twents, Drents en Gronings dat wel hebben.
Hoe moet je dan je woordenschat verrijken -nodig voor een boeiender taal? Dagelijks op pad naar de uithoeken van Limburg om nieuwe woorden te leren? Ik vind dat de politiek daar wat aan kan doen. Bevorderen dat je het Limburgs leren kunt, leren hoe het in mekaar zit, de kracht en schoonheid ervan. Uit boeken, via cursussen. Het gaat mij om een bruikbare algemene en overkoepelende taal.
 
Is die dan nodig?
Natuurlijk niet. Je hoeft rioolwater ook niet te zuiveren, dat kan zo de Maas in, die weet daar wel weg mee, al miljoenen jaren, en het zelfreinigend vermogen van de oceanen schijnt heel groot te zijn. Maar wie het belangrijk vindt dat er boeiende, goed geschreven en makkelijker leesbare boeken in het Limburgs komen, boeken waar je plezier aan beleeft vanwege de prachtige taal bijvoorbeeld, die zal moeten inzien dat daar een eenheid voor nodig is. Anders kan die taal niet verder verkend en ontwikkeld worden.
 
Voor alle duidelijking misschien nog een vergelijking van de denker en Nobelprijswinnaar Albert Camus. Die zei: als je met je vingers het complete aardoppervlak aftast, dan leer je de wereld niet beter kennen. Anders gezegd: als je de verschillen tussen een paar honderd Limburgse dialecten nauwgezet kent, kun je nog niet beter schrijven. Het gaat mij niet (zoals Belemans kennelijk) om verschillen, maar om de eenheid van een bruikbare, algemene en overkoepelende literaire taal.
 
Wim Kuipers