L. Giesen, 29 08 2000
Voorzitter Veldeke
STANDPUNT VAN DE VERENIGING VELDEKE INZAKE HET PNL-VOORSTEL OVER O.A. DE INVOERING VAN EEN ALGEMEEN GESCHREVEN LIMBURGS (AGL)
Op verzoek van de Provincie Limburg heeft de Vereniging Veldeke haar standpunt bepaald inzake de invoering van een AGL, zoals voorgesteld door de PNL.
Gezien het feit dat de punten I en II van het voorstel (respectievelijk het aanstellen van een streektaalfunctionaris en het openen van een Limburghuis) irrelevant zijn
voor de discussie rond het AGL, blijven deze aspecten buiten onze beschouwing. Beide ideeën kunnen worden gezien als steunbetuiging aan het eerdere voornemen van het provinciaal bestuur om tot realisering hiervan over te gaan.
Kernpunt van het voorstel is in wezen het construeren van een Standaardtaal Limburgs met het bijbehorend woordenboek medio 2001 en het instellen van de "Raod veur 't Limburgs", die normatieve uitspraken moet doen over dit AGL.
1 De
ontwikkeling van (streek-) taal tot Standaardtaal
De geschiedenis van de ontwikkeling
van (streek-) taal tot Standaardtaal laat zien dat de normering
(taalstandaardisatie) alleen ontstaat vanuit de praktijk zelf. Een bepaalde, in
de praktijk succesvolle taalnorm overvleugelt alternatieve varianten in het
lees- en schrijfverkeer. Doorgaans wordt zo'n ontwikkeling bevorderd door een gelegitimeerde
autoriteit of een wezenlijk referentiekader, zoals voor het Nederlands de
Statenvertaling van de
Bijbel (1625 - 1637).
Overheidsbemoeienis treedt doorgaans niet op, enkel in een laat stadium
als bevestiging van een reeds gevestigde praktijk.
De PNL bewandelt met haar voorstel in feite de
omgekeerde weg: zij vraagt de overheid in te stemmen met iets wat helemaal niet
bestaat. Een in beide Limburgen gangbare en beeldbepalende schrijfpraktijk die
als referentiekader zou kunnen dienen, is er immers niet.
2. De
invoering van het AGL
Het PNL-voorstel gaat ervan uit dat al voor maart 2001 de Standaardtaal
Limburgs vastgesteld kan worden.
Dit is uitermate bevreemdend omdat taalkundige en
dialectologen rekenen op een voorbereidingstijd van minimaal 10 a 15 jaar,
vooropgezet dat men zo'n Standaardtaal Limburgs zou willen
invoeren.
Verwondering wekt ook de idee dat men vóór maart 2001 een
bijbehorend woordenboek zou moeten hebben samengesteld. Dit overigens op basis
van het Maaslands en geldend voor beide Limburgen.
Echter uit niets blijkt dat er in de Limburgen een
behoefte aan een dergelijke Standaardtaal (een soort Esperanto-Limburgs)
bestaat.
Is het
niet opmerkelijk dat het dialect(-gebruik) de laatste tijd een opleving
doormaakt en daarbij op geen enkele wijze gehinderd blijkt te worden door de
afwezigheid van een Standaard-Limburgs? Juist het tegendeel is het geval: alle
succesvolle liedjeszangers, cabaretiers en dialectauteurs hanteren hun meest
authentieke moedertaal.
De idee van de PNL dat door aanvaarding van haar voorstel de overheid een
ab initio sturende rol in taalprocessen kan spelen, is historisch gesproken
aantoonbaar onjuist.
De ervaring leert veeleer dat overheidsbemoeienis in dit soort kwesties
veel conflictueuze discussies uitlokt.
3. De
keuze van het Maaslands als basis voor het AGL
Waarom de PNL pleit voor het Maaslands als basis
van het AGL wordt niet duidelijk gemaakt. Er is immers geen reden om deze
dialectvariant van het Limburgs tot norm te verheffen, omdat het Maaslands niet
een zo duidelijk succesvolle taalnorm is gebleken dat het als referentiepunt
voor de andere dialectvarianten zou kunnen gelden.
Overigens is er in de Limburgen thans geen
taalvariant die deze positie wel inneemt.
Bovendien wordt er geen rekening gehouden met een
algemeen taalkundig principe dat ervan uitgaat dat alle varianten, taalkundig
gezien, van gelijke waarde zijn en dat de keuze voor één variant
altijd willekeurig is en slechts met 'machtsargumenten' opgelegd kan
worden.
Voorbijgegaan
wordt ook aan het feit dat het Maaslands een verzameling is van een aantal
dialecten: HET Maaslands bestaat niet.
Uit het PNL-voorstel blijkt dat men
één variëteit van het Maaslands voor ogen heeft nl. het
Maaslands van een enkeling of een kleine groep: een idiolect
dus.
Dit kan
uiteraard nooit de norm zijn voor de streektaal der beide Limburgen!
Dat de
keuze van deze Maasland-variëteit tot problemen kan leiden, lijkt de PNL
ook te beseffen: het Ripuarisch (Zuid-Oost-Limburgs) wordt door de PNL niet meer
tot het Limburgs gerekend.
Ook de andere Limburgse taalgebieden, zoals het Kleverlands (ten noorden
van Venlo) en het Limburgs ten westen van Hasselt -taalgroepen die eveneens
sterk van het Maaslands afwijken- wordt met geen woord gerept.
4. De
argumentatie van het PNL-voorstel
Opvallend in het PNL-voorstel is dat nergens
verwezen wordt naar vakliteratuur op dit gebied. In wezen is dat niet
verwonderlijk: er bestaat geen wetenschappelijke literatuur die een dergelijk
idee ondersteunt.
Het tegendeel is voor wat de Veldeke-aanpak betreft het geval: de
taalsociologie (met op dit terrein baanbrekende studies van J. Fishman en P. van
der Planck) laat overduidelijk zien welke complexe, langdurige en moeizame
processen gepaard gaan met de vaststelling en invoering van zo'n algemene taal,
zelfs uitgaande van de idee dat er een breed maatschappelijk draagvlak zou
zijn.
Bovendien zijn de kenmerken die in het PNL-voorstel als onderbouwing aan het Limburgs worden toegekend (o.a. blz. 14-16-17) aperte taalkundige onjuistheden. Daarnaast vormen die ook geen enkel argument om een Maaslands-AGL in te voeren.
5 De
Raad voor het Limburgs
De PNL pleit voor het instellen van een Raad voor het Limburgs die zou
moeten bepalen wat wel of geen Standaard-Limburgs (op basis van het Maaslands)
zou zijn: normatief dus.
Ze kritiseert van de andere kant echter het beleid van de Nederlandse
Taalunie die sterk afwijzend staat tegenover andere taalvarianten binnen het
Nederlandse taalgebied.
De PNL, roept echter tegelijkertijd een Limburgse variant van deze
Taalunie in het leven: de Raad voor het Limburgs.
Open blijft de vraag wie zitting moeten nemen in
deze Raad: deskundigen die nu al niet geraadpleegd zijn bij het opstellen van
het PNL-voorstel?
6
Bestuurlijk
Zoals eerder aangetoond is het zeer de vraag of de overheid het voortouw
zou moeten nemen voor de invoering van een AGL. Aanvaarding van het voorstel zal
zeker leiden tot grote onrust, terwijl de provinciale overheid daarnaast niet
over de mogelijkheden beschikt om een dergelijk besluit te
effectueren.
Bovendien zou een aanvaarding van het PNL-voorstel door de Staten in feite gelden voor het gehele Limburgse taalgebied, d.w.z. het Limburgs der beide Limburgen. De vraag
moet gesteld worden of dit wel wenselijk is zonder dat er een consensus bestaat
tussen de overheden der beide Limburgen.
Overigens, een parallel tussen het PNL-voorstel en
de erkennining van het Limburgs als streektaal (1996-1997) is niet te trekken,
omdat de aanvraag voor de erkenning als streektaal volgens het Europees Handvest
voor de Streek- en Minderheidstalen alleen kan en mag gelden binnen
Nederland.
7.
Samenvatting
Gezien het feit
- dat de noodzaak tot invoering van een AGL (met een daarbij behorend
nieuw woordenboek) in het geheel niet is aangetoond en zelfs in strijd is met de
(historische) ontwikkeling van (streek-)taal tot Standaardtaal;
- dat de taalkundig-dialectische
onderbouwing in feite ontbreekt en op zeer veel plaatsen zelfs onjuist
is;
- dat er geen
breed maatschappelijk draagvlak is;
- dat het politiek niet gewenst is dat de overheid
het voortouw neemt;
- dat aanvaarding van het PNL-voorstel de facto ook voor Belgisch Limburg
zou gelden, zonder dat daarover een consensus bestaat;
zijn wij van mening dat het hele
PNL-voorstel inopportuun, ondoordacht en irrëeel is. Immers een visie zoals
verwoord in het PNL-voorstel biedt geen enkel perspectief voor een modern,
gezond en evenwichtig beleid met betrekking tot de instandhouding en bevordering
van onze streektaal, niet voor het heden en ook niet voor de
toekomst.
Tenslotte: 75 jaar geleden is een vereniging opgericht die voor elk Limburgs dialect een krachtige eenheid wil vormen. Binnen deze vereniging zijn in de loop der decennia heel wat discussies gevoerd over de plaats van de dialecten in Limburg. Geconstateerd kan worden dat de belangstelling voor het dialect in deze driekwart eeuw door zeer velen wordt gedragen. De vereniging Veldeke Limburg hoopt ook in de komende jaren de vlaggendrager te zijn van het streven tot behoud van die dialectschakeringen die de Limburgen rijk zijn.
Augustus 2000
Drs. L.J.A. Giesen
voorzitter
Veldeke
Vereniging tot instandhouding en bevordering der Limburgse dialecten en
volkscultuur
opgericht 26 januari 1926