Houdt Limburgs taal in eere
(18/08)--
In het onderschrift bij de foto waarmee Dagblad De Limburger het
artikel Houdt Limburgs taal in eere' begint, wordt de Limburgse
dialectvereniging Veldeke als bewaakster van Veldeke's taalerfgoed'
voorgedragen. In een vervolgartikel op de volgende bladzijde vind ik wat
uitspraken die moeilijk met deze eretitel te rijmen zijn.
Hoewel de schrijver
Veldeke ons een schrijftaal heeft nagelaten, vindt Veldeke-voorzitter Lei Giesen
het Limburgs vooral een spreektaal die thuis, op straat, in de kroeg, met
carnaval wordt gebruikt. Een dikke stempel: Dialect is plat' dus. En misschien
is daarmee Veldeke's wond aangegeven. Te weinig historische taalkennis laat
veronderstellen dat met dialect' een dialect van het standaard Nederlands wordt
bedoeld. Maar de Limburgse streektalen hebben zich sinds vele eeuwen,
onafhankelijk, veel verder ontwikkeld dan het Nieuwnederlands. Wanneer wil
Veldeke eens erkennen dat, als in Venlo oude Romeinse en Keltische munten worden
gevonden, dit betekenis heeft voor de Venlose taal. Die vondst houdt namelijk in
dat er begin jaartelling handel werd gedreven in Venlo. En handelen betekent
afspraken maken, overeenkomsten sluiten en beschrijven. Logisch toch dat de
ontwikkelde Venlonaren na vier eeuwen Romeinse bezetting Latijn konden lezen en
schrijven, wat veel Latijnse elementen in de eigen schrijftaal bracht.
Begrijpelijk toch dat de komst van de Saksen ook (Angel)Saksische elementen in
de schrijftaal bracht, die zowel in de Middeleeuwse schrijftaal van Veldeke als
in een actuele schrijftaal voor het Venloos te vinden moeten zijn. En wat voor
Venlo geldt is natuurlijk ook van toepassing voor alle andere Limburgse
conglomeraten uit de pre-romeinse tijd. Kort en goed: Wil Dialectvereniging
Veldeke de Limburgse taal in eere houden, dan moet zij haar actuele schrijftaal
behouden als fonetische schrijftaal, maar daarnaast moet naarstig gezocht worden
naar die schrijftaal waarin zowel het Limburgs als de Middeleeuwse en actueel
Nederlandse schrijftaal herkenbaar zijn. Het bewijs dat dit mogelijk is vormt in
feite de Statenbijbel uit 1637, die een bewust gekozen compromis is tussen
verschillende Nederlandse dialecten' (Omar Vanderputte, Het verhaal van een
taal, bladzijde 21).
Hen Meijer,
Venlo