25 07 2001 Dagblad De
Limburger
Dè, moetsje,
dè, dè
Door Guus Urlings
Rundvee, melk en boter. Dat
zijn de onderwerpen van de nieuwste (22ste) aflevering van het Woordenboek
Limburgse Dialecten (WLD). Tweehonderd pagina's over meuke, riffele, kroeze,
uddere en veel meer taalschatten van het Limburgse
platteland.
VENLO Nee, het melkquotum staat er
niet in. De melktank en de melkmachine evenmin. De bio-industrie in de
rundveehouderij moet het doen met maar een handjevol termen: kistkalf, hokkalf,
plankkalf. Het is alsof in de 22ste aflevering van het Woordenboek Limburgse
Dialecten (WLD) - Agrarische terminologie: rundvee, melk en boter - de tijd
ergens in de jaren zestig stil is blijven staan.
Wie het nieuwste
WLD-boekwerk doorbladert, proeft vooral de sfeer en de taal van het boerenland
zoals het vroeger was. Vroeger, toen mestkalveren nog in de wei liepen, toen de
boeren nog zelf boter karnden, toen koeien nog namen hadden in plaats van
nummers. Toen ieder kind wist dat je met dè, moetsje, dè,
dè een nieuwsgierig mökske (kalfje) wel zo gek kreeg dat het naar de
heg kwam voor een aai over z'n kuif of om even aan je vingers te lebberen. Dat
werkt nog steeds, net als mök, mök, mök en - bij kalveren
luistert het niet zo nauw - zesenzestig andere lokroepjes. Maar je hoort het
steeds minder.
Het is het verhaal dat bij vrijwel ieder tot nu toe
gepubliceerd deel van het WLD opdook. Het verhaal dat het WLD grotendeels
gedateerd is. Vooral een monument ter nagedachtenis aan wat ooit was, iets voor
de boekenkast van de wetenschapper, de deskundoloog, maar geen praktische en
bruikbare handleiding - alleen al vanwege de omvang - voor de hedendaagse
dialectspreker. Het verhaal dat voorman Fons Zinken van de Partij Nieuw Limburg
onlangs verleidde tot de kwalificatie pure geldverspilling'.
Gedateerd? Er
zijn nauwelijks nog melkveehouders - al worden het er de laatste tijd weer
steeds meer - die zelf boter karnen. Wat moet je dan met 26 termen voor het
deksel van een karnton, met 67 woorden voor de bak waarin je boter kneedt?
Anderzijds: veel woorden uit het verleden zijn, voor zover er nog dialect
gesproken wordt, ook in de hedendaagse (vee)boerentaal nog volop in gebruik. Een
mök is nog steeds een mök. En in de geautomatiseerde melkstal van
vandaag heeft een koe nog steeds vier dème aan de udder. In Zuid-Limburg,
tenminste.
Wie de 22ste aflevering van het WLD wil lezen zoals de
samenstellers dat bedoeld hebben, wordt ontegenzeglijk wijzer. Er ligt - opnieuw
- een boekwerk op tafel dat inzicht geeft in de rijkdom van de Limburgse
dialecten, in de manier waarop een taal - afspiegeling van de samenleving - zich
ontwikkelt, in een stuk Limburgse (cultuur)historie. Een deel van het
wetenschappelijke fundament waarop elke zichzelf respecterende taal recht heeft,
de basis ook voor alle inspanningen om zo'n taal levend te houden. Wat niet goed
geworteld is, valt onherroepelijk om.
Los daarvan zijn er de pure lol van het
(her)ontdekken van mooie woorden, het fascinerende van termen voor dingen
waarvan je het bestaan niet eens vermoedde. En wie helemaal niets van veeteelt
weet, wordt terloops ook nog ingevoerd in de wereld van klamvaars, brulse en
guste koeien. Van koaj poote, moelkrènkde en bakkesbrandMond- en
klauwzeer, inderdaad. Noem dat maar gedateerd.
Woordenboek
van de Limburgse Dialecten, deel I (Agrarische Terminologie), aflevering 11:
Rundvee, melk en boter, veeteelt algemeen, door dr. H. Crompvoets, Uitgeverij
Van Gorcum, ISBN 902323653X, prijs 60 gulden.