|
Portefeuillehouder |
½ |
|
|
|
|
|
½ |
Bijlage(n) |
½ |
|||
|
Doorkiesnummer |
½ |
Behandeld |
½ |
||
|
Ons kenmerk |
½ |
Maastricht |
½ |
|
Onderwerp |
|
|
Voorstel |
|
|
Voor het overige stellen wij voor het Meerjarenplan voor kennisgeving aan te nemen. |
|
|
Commissiebehandeling |
|
|
Datum PS
vergadering |
|
|
Publicatie |
|
|
Terinzagelegging |
|
Het gebruiken van het Limburgs in al zijn variëteit in alle lagen van de bevolking.
Het levend houden van het Limburgs in al zijn variëteit in alle lagen van de bevolking.
Het betreft een permanente opdracht in het kader van het streektaalbeleid.
Regelmatig (bijvoorbeeld tweejaarlijks) onderzoek naar het gebruik van het Limburgs door de inwoners van deze provincie in verschillende maatschappelijke situaties.
Inmiddels is € 158.823,08 beschikbaar gesteld voor een aantal projecten (onderwijsaanpak, website en enquête). De inzet van verdere middelen wordt op projectbasis bezien in het kader van de reguliere subsidiebudgetten.
In de onderhavige nota wordt voorgesteld om het Meerjarenplan van de Raod veur 't Limburgs voor kennisgeving aan te nemen en in te stemmen met (de kern van) het streektaalbeleid, zoals hieronder, mede op basis van deel II van het 'Europees Handvest voor streektalen of talen van minderheden' (Straatsburg, 5 november 1992, geformuleerd.
Projecten in het kader van het provinciale streektaalbeleid worden afzonderlijk aan ons College voorgelegd. Zij worden via het reguliere subsidietraject en binnen de beschikbare budgetten en beleidsregels afgehandeld.
Op 08 september 2000 besloten uw Staten onder andere om de samenstelling en het concept-takenpakket c.q. werkprogramma c.q. taakopdracht van zowel de streektaalfunctionaris als de "Raod veur 't Limburgs" aan uw Staten voor te leggen. Tevens besloten uw Staten elke twee jaar de werkzaamheden van de streektaalfunctionaris te evalueren.
Bij statenvoorstel I-721 werden samenstelling, taken en werkwijze van de Raod en de functiebeschrijving van de streektaalfunctionaris aan uw Staten voorgelegd. Uw Staten stemden op 22 januari 2001 daarmee in. Daarmee werd uitvoering gegeven aan uw besluit van 08 september 2000.
Op basis van uw besluitvorming werd een streektaalfunctionaris aangesteld en een Raod veur 't Limburgs in gesteld. De Raod is in 2001 een aantal keren bijeen geweest en heeft inmiddels een Meerjarenplan opgesteld dat als bijlage 1 bij dit voorstel is gevoegd.
In de door uw Staten vastgestelde Regeling Begeleidingscommissie Streektaalfunctionaris (de Raod veur 't Limburgs) wordt onder artikel 6, lid 1 bepaalt: "De Raod doet zijn aanbevelingen inzake het taalbeleid gevraagd en ongevraagd . De Raod brengt zijn advies uit aan het College. In de gevallen waarin Provinciale Staten de Raod om advies vragen, stuurt de Raod zijn advies ook naar de leden van Provinciale Staten."
Artikel 2 bepaalt: "In de gevallen waarin het college advies aan de Raod heeft gevraagd, neemt het College besluiten c.q. doet het College voorstellen aan Provinciale Staten met inachtneming van de aanbevelingen van de Raod. Het College en Provinciale Staten kunnen van deze aanbevelingen afwijken."
Het voorliggende Meerjarenplan valt in feite in vier onderdelen uiteen. In de eerste plaats bevat het een terugblik op de ontwikkelingen rond streektaal ( de hoofdstukken 2 tot en met 5). In de tweede plaats bevat het voorstellen in zake het taalbeleid (hoofdstuk 6). Vervolgens gaat het Meerjarenplan specifiek in op taken en projecten (hoofdstuk 7 en hoofdstuk 10) en tenslotte bevat het voorstellen met betrekking tot de concrete aanpak en de betrokkenheid van het veld daarbij (de hoofdstukken 8 en 9).
Goedkeuring van het Meerjarenplan door de provincie is strikt genomen niet nodig. Artikel 2 van de door u vastgestelde Regeling bepaalt dat dit een taak van de Raod zelf is. Over het onderdeel taalbeleid (hoofdstuk 6) dienen uw Staten wèl een expliciet standpunt in te nemen. Voornoemde artikelen 2 en 6 bepalen daarin uitdrukkelijk dat de Raod slechts aanbevelingen doet.
Wij stellen dan ook voor om het Meerjarenplan aan de orde te stellen in het kader van het (streek)taalbeleid (hoofdstuk 6) en het overigens voor kennisgeving aan te nemen.
Ons College spreekt in de eerste plaats zijn waardering uit voor het feit dat alle in de Raod vertegenwoordigde partijen een bijzonder constructieve bijdrage hebben geleverd aan de totstandkoming van het Meerjarenplan. Het plan heeft de instemming van de voltallige Raod en daarmee een zeer breed draagvlak, ook in het veld.
De erkenning van het Limburgs als streektaal heeft op basis van een besluit van uw Staten (d.d. 20 september 1996) plaatsgevonden onder Deel II van het 'Europees Handvest voor streektalen of talen van minderheden' (Straatsburg, 5 november 1992).
De bepalingen van dit Handvest richten zich niet rechtstreeks tot de provincie. Het Handvest is een akkoord tussen de Raad van Europa en de regeringen van de lidstaten, die het geratificeerd hebben. Partij in kwestie is dus primair de Nederlandse regering. De erkenning van het Limburgs als streektaal is dan ook uitgesproken door de Nederlandse regering. Formeel ligt de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het Handvest daar. Als gevolg van uw besluit van 20 september 1996 en de formele erkenning, die nadrukkelijk ook richting provincie is uitgesproken, kan worden gesteld dat de uitvoering ervan in de praktijk bij de provincie is komen te liggen.
De Nederlandse regering heeft het Limburgs formeel erkend, de provincie Limburg heeft de zorg voor het Limburgs op zich genomen in de mate zoals hieronder wordt aangegeven.
Bij eerdere behandeling van onderwerpen in het kader van de streektaal is door uw Staten meermaals de wens geuit taalbeleid vast te stellen aan de hand van het bepaalde in Deel II van het Handvest.
De provincie kan het bepaalde onder Deel II als richtinggevend beschouwen bij het vaststellen van een eigen provinciaal (streek)taalbeleid. In dat kader doet de Raod in hoofdstuk 6 van zijn Meerjarenplan enkele algemene aanbevelingen, uitgaande van de nummering van artikel 7 van het Handvest.
Hieronder wordt telkens eerst de desbetreffende bepaling uit het Handvest geciteerd (vet en cursief). Vervolgens wordt het standpunt van de Raod weergegeven en tenslotte (vetgedrukt) ons voorstel aan uw Staten.
1.a. Het beleid en de praktijk ten aanzien van streektalen of talen van minderheden moeten volgens het Handvest uitgaan van de erkenning van de streektalen of talen van minderheden als uiting van culturele rijkdom.
Deze formulering kan beschouwd worden als de hechte basis waarop het gehele taalbeleid steunt. Alle acties dienen deze opvatting als achtergrond te hebben.
De Raod onderschrijft dit uitgangspunt met kracht.
Wij stellen u voor dit uitgangspunt eveneens als basis voor het
streektaalbeleid te onderschrijven.
1.b. Het tweede beginsel uit het Handvest gaat over het territorium van de betreffende taal: de eerbiediging van het geografisch gebied van elke streektaal of taal van een minderheid ten einde te verzekeren dat bestaande of nieuwe bestuurlijke indelingen geen belemmering vormen voor de bevordering van de desbetreffende streektaal of taal van een minderheid.
De Raod neemt dit beginsel ter harte en verklaart zorg te dragen voor de Limburgse variëteiten binnen de hele provincie Nederlands-Limburg vanuit de gedachte dat er, bij de huidige stand van de dialectologie geen scherpe taalgrenzen binnen de provincie Limburg aangewezen kunnen worden.
Binnen Limburg ziet de Raod dus geen taalculturele grenzen die zo scherp zijn dat ze wezenlijk belemmerend zouden kunnen zijn voor bestaande of nieuwe bestuurlijke grenzen. Bijvoorbeeld: fusies van buurgemeenten zijn – naar de huidige stand van de sociolinguïstiek – niet te belemmeren vanuit de Raod. De Raod zal alert zijn in de (sporadische) gevallen dat onderzoek wordt verricht naar de identiteit van bepaalde groepen binnen Limburg.
Ontwikkelingen buiten Limburg zal de Raod volgen in de zin van 1.i. hier beneden.
Uitgangspunt in de erkenning is de sociolinguïstische eenheid "het
Limburgs", in al zijn variëteit. Het begrip "geografisch gebied"
heeft dan ook betrekking op de provinciegrenzen, niet op de gemeentegrenzen
binnen het grondgebied van Nederlands-Limburg. Wij stellen u voor erop toe te
zien dat toekomstige bestuurlijke herindelingen, die het grondgebied van de
provincie betreffen, geen belemmeringen vormen voor de bevordering van de
streektaal.
1.c. Het Handvest roept op tot vastbeslotenheid. Het noemt de noodzaak van vastberaden optreden ter bevordering van streektalen of talen van een minderheid ten einde deze te beschermen.
De Raod zal alle taalbeleid met vasthoudendheid uitvoeren. Met name de opvatting die thans gekarakteriseerd wordt als 'Alleen maar Nederlands' (naar analogie van de Amerikaanse beweging 'English only' wordt kritisch gevolgd. De Raod zal pogingen ondernemen om de opvattingen achter 'Alleen maar Nederlands' met argumenten te bestrijden en te komen tot een algemene opvatting dat meertaligheid bij sprekers een normale toestand is, waaraan niet getornd dient te worden.
In het begrip "vastberaden optreden" zitten naar ons oordeel
drie elementen besloten: daadkracht, een duidelijke koers en continuïteit. Wij
stellen voor dit begrip in deze zin te interpreteren en het streektaalbeleid in
Limburg uit te voeren met:
daadkracht: Door eigen beleid
te ontwikkelen en partners daarin te betrekken. Door stimulerend en initiërend
te werken en door subsidiemogelijkheden en projecten te bevorderen;
een duidelijke koers: door
duidelijk en concreet te zijn in het te voeren streektaalbeleid en de daarbij
beoogde resultaten en doelgroepen;
continuïteit: door een
permanente basis te creëren voor de uitvoering van het beleid en doelen op
korte, middellange en lange termijn te formuleren.
Het begrip "bevordering van streektalen" leggen wij vooral
uit in de zin van de naar ons oordeel belangrijkste missie van het
streektaalbeleid in Limburg: het levend houden van de streektaal in de
bestaande variatie in alle geledingen van de bevolking (ook volgens de opdracht
van 20 januari 2001).
De hierboven vermelde drie elementen komen in de aangegeven zin aan de
orde in het Meerjarenplan. Daarin is immers sprake van een eigen, stimulerend
en initiërend beleid, van een duidelijke koers en van continuïteit.
1.d. Het Handvest geeft geen redenen tot een status-quo-gedachte: de vergemakkelijking en / of aanmoediging van het gebruik van streektalen of talen van minderheden, in gesproken en geschreven vorm, in het openbare en het particuliere leven.
Voorbeeldwerking vanuit de Raod is daarbij eerste vereiste. De Raod zal zich – voor zover dat mogelijk is – manifesteren als Limburgstalig, niet alleen mondeling maar ook schriftelijk. Wat dit betreft zal de Raod een mediabeleid ontwikkelen dat te zijner tijd openbaar gemaakt zal worden.
De Raod zal met name diegenen die een voorbeeldfunctie hebben binnen de Limburgse samenleving (bestuurders, politici, ambtenaren, kunstenaars, artiesten, sporters, journalisten, kortom: personen met maatschappelijk aanzien) vragen mee te werken aan deze vergemakkelijkingen en /of aanmoedigingen in gesproken en geschreven vorm.
De bewoordingen van deze bepaling zijn voorzichtig geformuleerd. Er is
sprake van "vergemakkelijking" en van "aanmoediging".
Nadrukkelijk is geen sprake van het bevorderen van "tweetaligheid".
De consequenties daarvan zouden in maatschappelijk en financieel opzicht
bijzonder groot zijn. Datzelfde geldt voor een al te grote nadruk op het
geschreven woord. Wij stellen voor in het provinciale beleid het levend houden
van de streektaal in gesproken èn geschreven woord na te streven. Voor wat
betreft het officiële openbare leven (overheid, justitie en dergelijke) zal de
nadruk echter nadrukkelijk op het gesproken woord komen te liggen. Het is niet
reëel om te bevorderen dat openbare stukken (ook) in de streektaal worden
opgesteld. Wel kan dit incidenteel gebeuren op basis van vrijwilligheid en
kunnen bijvoorbeeld straat- en plaatsnamen (mede vanuit een cultuurhistorisch
perspectief) ook in hun oorspronkelijke dialectvorm worden gepresenteerd.
Duidelijk is dat daarbij steeds ook de Nederlandse variant wordt aangeboden en dat
zulks geschiedt op basis van vrijwilligheid.
1.e. Het Handvest zet aan tot samenwerking tussen groepen met andere streek- of minderheidstalen: de instandhouding en ontwikkeling van banden, op de door dit Handvest bestreken terreinen, tussen groepen die een streektaal of taal van een minderheid gebruiken en andere groepen in de Staat die een taal spreken die in identieke of soortgelijke vorm wordt gebruikt, alsmede de totstandkoming van culturele betrekkingen met andere groepen in de Staat die andere talen gebruiken.
De Raod voert dit principe al uit in en door zijn samenstelling. Er is al samenwerking met de provincie Belgisch-Limburg en met het Rijnland. Het is het streven van de Raod om zijn beleid in symbiose met de verantwoordelijke personen en instanties in Belgisch-Limburg en het Rijnland vorm te geven. In Nederland is er samenwerking op het niveau van de streektaalfunctionarissen. Er is ook samenwerking met de afdelingen Dialectologie en Volkskunde van het Meertensinstituut in Amsterdam. Mondiaal gezien zal er aansluiting gezocht worden bij organisaties voor minder gebruikte talen.
Uw Staten hebben de Raod inderdaad in een brede grensoverschrijdende
context gepositioneerd. Daarmee en met de hierboven door de Raod aangegeven
relaties wordt naar ons oordeel in voldoende mate voldaan aan deze bepaling in
het Handvest.
1.f. Het Handvest zet aan tot onderwijsactiviteiten: het voorzien in passende vormen en middelen voor het onderwijs in en de bestudering van streektalen of talen van minderheden op alle daarvoor in aanmerking komende onderwijsniveaus.
De Raod vindt dit een van de kernactiviteiten, overigens indachtig de opvatting van Fishman dat scholen wel taalleerinstituten zijn, maar nauwelijks verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor het voortbestaan van een taal. De Raod zal werken aan attitudevorming en inleidingen in de culturele rijkdom van het Limburgs voor allen (dus: niet alleen de Limburgssprekenden).
Het in het meerjarenplan van de Raod neergelegde beleid en de daarin
voorgestelde projecten richten zich nadrukkelijk op alle onderwijsniveaus. Op
universitair niveau is de aandacht gericht op wetenschappelijk onderzoek in het
kader van het Woordenboek Limburgse Dialecten (WLD). Voor de periode na de
afronding van het WLD wordt gedacht aan continuering van het wetenschappelijk
onderzoek, maar meer gerelateerd aan de taken van de streektaalfunctionaris,
zodat dit onderzoek in directe zin ten goede komt aan de educatieve en
publiekstaken van de streektaalfunctionaris.
Zowel voor het basis- als voor het voortgezet onderwijs wordt
nadrukkelijk een onderwijsaanpak
ontwikkeld.
Voor wat betreft het hoger onderwijs richt de Raod zijn aandacht vooral
op de lerarenopleidingen.
Belangrijk is daarnaast dat in tweeërlei opzicht aandacht wordt besteed
aan attitudevorming: in het onderwijs zelf, door dit ontvankelijk te maken voor
een effectieve aandacht voor streektaal en bij de ouders, door te bevorderen
dat in de gezinssituatie dialect gesproken wordt. In beide situaties is een
positieve attitude onontbeerlijk voor een effectief streektaalbeleid in
onderwijskundig en educatief opzicht.
Wij stellen u voor dit beleid als uitgangspunt te nemen.
1.g. Het Handvest wijst op zorg voor
tweedetaalleerders: het verschaffen van voorzieningen om degenen die een streektaal of een
taal van een minderheid niet spreken en die wonen in het gebied waar deze wordt
gebruikt, in staat te stellen deze taal te leren indien zij dit wensen.
De Raod zal ook de nodige stappen nemen om te komen tot T2-cursussen-Limburgs. De materialen daartoe zullen mede ontwikkeld gaan worden in een nader te bepalen periode. Dat zijn voorlopig: omkeringen van de traditionele dialectwoordenboeken (Nederlands-Limburgs) en schoolgrammatica's. Als deze materialen er zijn, kunnen er leerplannen en aanpakken gerealiseerd worden.
Bedacht moet worden dat deze bepaling uitgaat van een streek waarin
tweetaligheid in woord en geschrift in alle geledingen van de samenleving aan
de orde is. Met name in het officiële openbare leven in onze provincie wordt
het Limburgs niet als geschreven taal gehanteerd. Dat verklaart waarom de Raod
voorstelt op termijn aanbod te ontwikkelen voor mensen die de streektaal
niet machtig zijn.
Het belang van het kunnen spreken/verstaan van Limburgs is vooral een
sociaal en sociaal-cultureel belang. Daarom wordt het gemis ook vaak in de
sociale context opgelost of gecompenseerd. Om die reden wordt hieraan nog geen
voorrang gegeven, maar op termijn wordt nadrukkelijk aanbod gecreëerd.
1.h. Het Handvest zet aan tot academische studie van de streektaal: de bevordering van studie en onderzoek van streektalen of talen van minderheden aan universiteiten of gelijkwaardige instellingen.
De Raod zal de academische bestudering van de streektaal zo veel mogelijk bevorderen. De Nijmeegse en Leuvense universitaire bestudering van het Limburgs moet naar het oordeel van de Raod voortgezet worden. Per 1 januari 2004 zal het werk aan het Woordenboek van de Limburgse Dialecten aan de Katholieke Universiteit Nijmegen beëindigd zijn. Aan de Katholieke Universiteit Leuven wordt de systematische bestudering van Limburgse dialecten in 2002 sterk verminderd. De Raod juicht het toe dat het WLD binnenkort compleet zal zijn, maar signaleert aan de andere kant dat het sterk verminderen of beëindigen van de systematische bestudering der Limburgse dialecten ontoelaatbaar is. De Raod zal initiatieven ondersteunen en zelf doen uitgaan om die situatie te voorkomen. De provinciale overheid zal hierover geïnformeerd worden.
De streektaalfunctionaris is overigens niet gehouden om academische studies betreffende het Limburgs nauwgezet te volgen of zelf uit te voeren. Hij volgt de academische literatuur die belangrijk is voor het uitvoeren van zijn taak.
De Raod zal met name moeten bevorderen dat bij de universiteiten
wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke studie plaats blijft vinden.
Naar verwachting kan de Raod bij het vervullen van die taak niet volstaan met
informatievoorziening aan de provincie. Immers, voor het daadwerkelijk
bevorderen van studie en onderzoek zijn financiële middelen nodig. Over de
afstemming van de verantwoordelijkheid voor de streektaal tussen universiteiten
en provinciale overheid is, naast de Raod, een nauwe betrokkenheid van deze
beide partijen nodig. Uitgangspunt daarbij moet naar ons oordeel zijn dat de
provincie vooral verantwoordelijk is voor het levend houden van de streektaal
door middel van educatie en publieksbereik en de universiteiten vooral voor
wetenschappelijke onderzoek met betrekking tot de streektaal. Dit moet ook tot
uitdrukken komen in de financiële betrokkenheid.
Wij stellen voor de bepaling in deze zin in ons beleid te hanteren. Bij
de nadere afstemming kan de Raod een wezenlijke rol vervullen.
1.i. Het Handvest zet aan tot internationale contacten: de bevordering van passende soorten internationale uitwisselingen, op de door dit Handvest bestreken terreinen, voor streektalen of talen van minderheden die in identieke of soortgelijke vorm worden gebruikt in twee of meer Staten.
De Raod onderschrijft dit en wijst hierbij ook op de bovengenoemde punten 6.1.1.b en 6.1.1.e. Er zullen ook verbanden gezocht worden met taalgroeperingen die territoriaal niet grenzen aan Limburg, voorzover deze van belang zijn voor het Limburgs.
Naar ons oordeel ziet deze bepaling toe op "het Limburgs" buiten
onze provinciegrenzen. Uw Staten hebben er reeds voor gekozen om door middel
van een vertegenwoordiging vanuit het aangrenzende buitenland in de Raod, een
zeer direct contact te onderhouden. Op dit moment zitten zowel
vertegenwoordigers vanuit Belgisch-Limburg als vanuit het aangrenzende
Rheinland in de Raod. Er vindt in de Raod dus een voortdurende uitwisseling van
standpunten en deskundigheid plaats. Ook wordt regelmatig bezien welke
gemeenschappelijke activiteiten ontwikkeld kunnen worden.
Er bestaat ons inziens geen bezwaar tegen dat de Raod ook contacten
onderhoudt met taalgroeperingen, die territoriaal niet aan Limburg grenzen.
Deze contacten zouden echter vooral gericht moeten zijn op het uitwisselen van
ervaringsgegevens in het levend houden van een streek- of minderheidstaal en
het, waar nodig, gezamenlijk optrekken richting landelijke en/of Europese
overheden. Een zetel in de Raod is ons inziens in die gevallen niet opportuun.
Wij stellen u voor het bovenstaande te onderschrijven.
2. Het Handvest zet aan tot het wegnemen van discriminerende maatregelen enerzijds en tot het aannemen van bevorderende maatregelen.
De Partijen verplichten zich tot het wegnemen, indien zij dit nog niet hebben gedaan, van alle ongerechtvaardigde vormen van onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeur betreffende het gebruik van een streektaal of taal van een minderheid en waarmede wordt beoogd de instandhouding of ontwikkeling van een zodanige taal te ontmoedigen of in gevaar te brengen. De aanneming van bijzondere maatregelen ten gunste van streektalen of talen van minderheden, gericht op de bevordering van gelijkheid tussen de gebruikers van deze talen en de overige bevolking, of waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met hun specifieke omstandigheden, wordt niet beschouwd als discriminerend optreden tegen de gebruikers van meer algemeen gebruikte talen.
Bij dit punt wijst de Raod erop dat het Handvest geschreven is als richtlijn voor nationale regeringen. Het nemen van maatregelen bij wet is een nationale onderneming. De Raod erkent de beperkingen in die zin, maar onderschrijft beide activiteiten: het wegnemen en het aannemen. Vanuit de beperktheid van het actieterrein van de Raod zal deze zijn activiteiten gevraagd en ongevraagd richten op het Limburgse provinciale bestuur.
Van wezenlijk belang zijn de gekozen bewoordingen van het Handvest. Er
moet nadrukkelijk sprake zijn van het wegnemen van "discriminerende
maatregelen". Er dient dus sprake te zijn van discriminatie en van een
officiële maatregel, die discriminatie tot gevolg heeft of kan hebben.
Het niet schriftelijk toepassen van de streektaal in bepaalde situaties
kan naar ons oordeel niet als zodanig worden beschouwd. Wel discriminerend kan
het niet toelaten van de mondelinge toepassing van de streektaal zijn. Er zijn
ons echter geen maatregelen bekend die dat verbieden. In beginsel zou de
streektaal mondeling in alle geledingen van de samenleving in Limburg toegepast
moeten kunnen worden. Wij begrijpen evenwel dat zulks belemmeringen kan
oproepen in die gevallen waarin schriftelijke verslaglegging plaatsvindt. Wij
treden derhalve stimulerend op, maar op basis van vrijwilligheid.
De provincie mist bovendien het instrumentarium om op dit terrein als
een volwaardig "handhaver" op te treden en wil deze rol ook niet
vervullen. Wij kunnen zonodig "aanzetten tot", maar wanneer onze
suggesties in voorkomende gevallen niet worden opgevolgd, dan hebben wij geen
(sanctie)middelen om een en ander af te dwingen. Zoals hierboven reeds uiteen
gezet, hebben wij echter de indruk dat "discriminerende maatregelen"
in de formele betekenis niet of nauwelijks voorkomen.
Uiteraard zullen wij stimuleren dat "bevorderende
maatregelen" worden aangenomen, daar waar zulks zinvol is. Het
Meerjarenplan bevat daartoe een aantal aanzetten, zoals het vaststellen van een
streektaalbeleid op basis van deel II van het Handvest en de spellingsregeling.
Wij stellen voor het bovenstaande te onderschrijven.
3. Het Handvest zet aan tot tolerantie ten opzichte van gebruikers van streektalen en gebruikers van minderheidstalen.
De Partijen verplichten zich ertoe dat door passende maatregelen onderling begrip tussen alle linguïstische groepen van het land wordt gekweekt en in het bijzonder dat in de doelstellingen van in hun land gegeven onderwijs en opleiding de eerbiediging van, het begrip voor en de tolerantie ten aanzien van streektalen of talen van minderheden worden opgenomen en dat de massamedia worden aangemoedigd hetzelfde doel na te streven.
De Raod onderschrijft dit punt, indachtig de beperkingen die genoemd zijn bij punt 6.2.2.
Wij stellen voor deze bepaling eveneens te onderschrijven.
4. Het Handvest zet aan tot interactie met gebruikersgroepen.
Bij het bepalen van hun beleid ten aanzien van streektalen of talen van een minderheid houden de Partijen rekening met de behoeften en wensen naar voren gebracht door de groepen die deze talen gebruiken. Deze groepen worden aangemoedigd indien nodig organen in het leven te roepen ten behoeve van het uitbrengen van advies aan de autoriteiten inzake alle aangelegenheden betreffende streektalen of talen van minderheden.
De Raod onderschrijft dit punt en zal overleg met gebruikersgroepen bevorderen. In dit kader wijst de Raod erop dat er klankbordgroepen voorzien zijn in dit meerjarenplan.
De Raod zelf is het belangrijkste gremium voor deze interactie.
Daarnaast zal interactie bevorderd worden in de aanpak van de projecten. Met
name interactie met jonge mensen verdient de nadrukkelijke aandacht. Voor het
levend houden van de streektaal is het nodig in direct contact te staan met
deze bevolkingsgroep en jonge mensen permanent de gelegenheid te geven mee te
denken over de meest effectieve wijzen om in hun groep de streektaal levend te
houden. In het te ontwikkelen beleid zal daar nadrukkelijk rekening mee worden
gehouden.
Wij stellen u voor het bovenstaande te onderschrijven.
5. Het Handvest wijst op de ondersteuning van niet-territoriale[1] talen.
De Partijen verplichten zich tot het op overeenkomstige wijze toepassen van de in het eerste tot en met het vierde lid genoemde beginselen op niet-territoriale talen. Wat deze talen betreft, worden de aard en de reikwijdte van de ter uitvoering van dit Handvest te nemen maatregelen evenwel op soepele wijze bepaald, indachtig de behoeften en wensen en met eerbiediging van de tradities en kenmerken van de groepen die de desbetreffende talen gebruiken.
De Raod ondersteunt ook dit punt en neemt zich voor de niet-territoriale talen in Limburg waar mogelijk te ondersteunen.
Het ondersteunen van de niet-territoriale talen in Limburg behoort ons
inziens niet tot de expliciete opdracht van de Raod en niet in gelijke mate tot
de opdracht van de provincie als bij streektaal het geval is. Vormen van
ondersteuning door de provincie worden evenwel zeker niet bij voorbaat uitgesloten
en bij het ontwikkelen door derden van projecten in zake niet-territoriale
talen kan uiteraard ook gebruik worden gemaakt van de voorstellen en
initiatieven die voor de streektaal zijn of worden ontwikkeld.
Wij stellen voor projecten, die voor niet-territoriale talen worden
ontwikkeld in voorkomende gevallen te beoordelen binnen de reguliere
subsidiekaders.
Samenvattend stelt de Raod dat deze artikel 7 uit het Europees Handvest voor streektalen of talen van minderheden onderschrijft, voorzover de bepalingen uitvoerbaar zijn door groepen of instanties die niet de regering van een land zijn.
De kern van het streektaalbeleid zou volgens de Raod moeten liggen op:
- het als rijkdom ervaren van meertaligheid; dat betekent onder meer dat eraan gewerkt zal worden de vervlakking van de Limburgse variëteiten tegen te gaan: op fonetisch-fonologisch, morfologisch, syntactisch en semantisch-, lexicologisch gebied;
- vasthoudendheid inzake het gebruik van het Limburgs in formele situaties;
- vasthoudendheid inzake taal- en cultuurkwesties;
- communicatie met, geografisch gezien, interne en externe taalgroepen;
- aanpakken in de sfeer van de media en de educatie.
Resumerend stellen wij uw Staten voor de door de Raod voorgestelde kern van het beleid te onderschrijven, in te stemmen met onze hierboven per bepaling opgenomen voorstellen en deze als uitgangspunt voor het streektaalbeleid van de provincie Limburg te nemen.
Voor het overige stellen wij voor het Meerjarenplan voor kennisgeving aan te nemen.
Het Meerjarenplan van de Raod veur 't Limburgs bevat een aantal voorstellen voor projecten. Inmiddels heeft ons College eind 2001 een bedrag van € 158.823,-- (ƒ 350.000,--) gecommitteerd voor een aantal majeure streektaalprojecten, namelijk de ontwikkeling van een onderwijsaanpak voor het basis- en het voortgezet onderwijs, de realisatie van een website over de Limburgse dialecten en de wetenschappelijke verwerking van de Limburg Enquête. Dit bedrag is ten laste gekomen van de reguliere middelen in het Projectenbudget kunst en cultuur 2001.
Toekomstige projecten, waarvoor een provinciaal subsidie nodig is, worden afzonderlijk aan ons College voorgelegd. Wij zullen ze via het reguliere subsidietraject en binnen de beschikbare budgetten en beleidsregels afhandelen.
Via het jaarverslag van de Raod en de financiële overzichten van onze subsidiebudgetten zullen wij u hierover informeren.
Resumerend stellen wij uw Staten voor de door de Raod voorgestelde kern van het beleid te onderschrijven, in te stemmen met onze hierboven per bepaling van artikel 7 van het Handvest opgenomen voorstellen en deze als uitgangspunt voor het streektaalbeleid van de provincie Limburg te nemen.
Voor het overige stellen wij voor het Meerjarenplan voor kennisgeving aan te nemen.
Een en ander door vaststelling van het in bijlage 2 opgenomen concept-besluit
Gedeputeerde Staten van Limburg,
mr. B.J.M. baron van Voorst tot Voorst, voorzitter.
mw. mr. E.H.M. Brans, griffier
[1] "Niet-territoriale talen" zijn talen die gesproken worden door mensen, die geen vast territorium hebben, bijvoorbeeld het (Ro)Manisch en het Jiddisch.