10 12 2001 Dagblad de
Limburger
In zaal De Sport Horst werd gisteren het fenomeen carnavals-
of vastelaoveskrant van allerlei kanten belicht. Tot de sprekers behoorden een
taalkundige en een historicus, die ontdekt heeft dat hoogwaardigheidsbekleders
vroeger door 'carnavalisten' met de grond gelijk gemaakt werden. Carnavalskrant:
culturele kwatsch Paul Seelen
Carnavalskrant: culturele kwatsch
Paul
Seelen
HORST Hollander en protestant Carel Gerard Rouffaer was directeur van het postkantoor in Maastricht, in het begin van de negentiende eeuw. En lid van de Momus Sociëteit. En dus vonden de leden van de Momus dat hij hun maandelijkse Annalen wel voor een vriendenprijs kon laten bezorgen. Toen Rouffaer liet weten dat hij dat niet kon maken, werd hij in een hekeldicht het graf in geprezen.
Rouff...!!! O vriendlijk mensch, wie
zou uw lof niet zingen?
Gij geeft met zachtheid steeds aan iedereen
gehoor;
Te groot zijt gij voor de aard, gij moet naar hooger
kringen.
...Uw geest is veel te groot voor 't enge
postkantoor.
Maastricht, o mijn Maastricht, houdt uw Rouff... in
waarde
Rigt hem een eerzuil, op onsterflijkheid gewijd.
Het hekeldicht
werd in 1844 voor een zaal met een dikke tweeduizend leden, onder wie wellicht
Rouffaer zelf, voorgelezen en daarna afgedrukt in de Annalen van de Momus. Het
gedicht dat meerdere strofen bevat, is ondertekend met 'X'. De redactie schrijft
erbij het graag af te drukken. Want, hoe het Momus-lid Rouffaer zich had
opgesteld, dat kon niet! Ook in volgende afleveringen krijgt de arme ambtenaar
meermalen een veeg uit de pan. Zo doen de Annalen lezers een trucje aan de hand
om hun bomen gratis gesnoeid te krijgen: ga naast de directeur van het
postkantoor wonen. Die man is zo beleefd dat hij zelf elk takje dat over zijn
muur hangt, zal verwijderen. Bij het bericht een confronterende spotprent. En
dat terwijl de Momus toch als motto had: Gekkigheid mèh neet boete de
sjraom.
De kwestie-Rouffaer staat niet op zichzelf. Toon Jenniskens,
stadscultuurhistoricus van Maastricht trof er een hele serie van aan in oude
carnavalskranten en vertelde er gistermiddag over tijdens een themamiddag van de
Bond van Carnavalsverenigingen Limburg (BCL) in zaal De Sport in Horst. Niet
alleen hoogwaardigheidsbekleders werden overigens geschoffeerd, ook eenvoudige
burgers. 't Batteräöfke, een carnavalskrant die vroeger in heel
Zuid-Limburg verscheen, schrijft in 1922: "...sinds Truijke van de
Gezusterswaeg (in Schimmert) ni mier met Jeuke vrejt, wet ze van gekkigheid ni
mier wat ze moot doon. Want ze zoj toch zo gaere enne hubbe.' "Een vrouw
die met naam en toenaam aan de schandpaal genageld wordt omdat ze met Jan en
alleman het bed induikt... Je zou het nu eens moeten schrijven', grinnikt
Jenniskens. "Je zou direct voor de rechter gedaagd worden.'
De
Annalen van de Momus is voor zover bekend de moeder van de Limburgse
carnavalskranten. De Momus werd in 1939 ten grave gedragen. De carnavalskrant
daarentegen begon toen aan een onstuitbare opmars. Bijna elke zichzelf
respecterende carnavalsvereniging maakt er heden ten dage een, zo blijkt uit een
ander onderzoek dat in Horst werd gepresenteerd. De Kloskemissie van de
plaatselijke D'n Dreumel - de makers van carnavalskrant De Klos - benaderde de
afgelopen maanden alle 157 BCL-leden. "Er reageerden 76 mensen, circa 48
procent; voor een enquête een aardige respons', vindt Dion Wijnands van de
commissie. Wijnands denkt dan ook een redelijk representatief beeld voor Limburg
te kunnen schetsen. Met één 'maartje': de allergrootste
verenigingen hebben een eigen bond en zijn niet in het onderzoek meegenomen.
"Maar', relativeert Wijnands, "dat zijn er maar iets meer dan twee
handenvol.'
Enkele resultaten dan, in vogelvlucht:
- 57 van de 76
reflectanten geven een carnavalskrant uit;
- de oudste, die van de
Gangmaekers uit Heel, dateert uit 1888;
- het gros is opvallend jong; 23 van
de 57 stammen uit de periode 1980-1999;
- de oplage is klein: slechts 22
procent komt boven 2000 exemplaren;
- met een carnavalskrant wil een
vereniging vooral zichzelf presenteren, en daarnaast de kas spekken;
-
slechts 7 procent bevat geen advertenties.
- 53 van de 55 kranten verschijnen
in dialect.
De laatste uitslag verleidt taalmens pur sang, Neerlandicus,
publicist, columnist en oud-dagbladjournalist Wim Kuipers tot de uitspraak dat
carnavalskranten veruit de belangrijkste bron voor dialectcultuur zijn.
"Onderzoek heb ik er niet naar gedaan, maar ik schat dat 60 procent van wat
in dialect wordt geschreven, via deze weg wordt gepubliceerd.' Kuipers is zelf
bezig aan een boek over de vastelaovendj. 23.878 woorden heeft hij al verzameld;
hij heeft ze alleen nog niet in de juiste volgorde staan.
Datzelfde geldt
voor de woorden van Kuipers' - overigens uiterst amusante - speech. De rode
draad die er met enige fantasie uit te halen is: de carnavalskranten vormen een
ware Fundgrube voor dialectwoorden. Het is dan ook doodzonde dat doorgaans
alleen het eigen dorp er kennis van kan nemen. "Kunnen die mensen van de
Klos en De Oprechte Mestreechter Vastelaovesgezet elkaar niet ergens in Echt
ontmoeten?', vraagt hij zich af. Als fervent voorstander van een Limburgse
streektaal zou hij graag zien dat er eindelijk uniformiteit komt. "Alleen
als we de handen ineenslaan, kan het Limburgs op termijn overleven', oreert
Kuipers. "Maar', verzucht hij met gevoel voor de realiteit: "ik zal
dat wel niet meer meemaken.'
maandag 10 december 2001